Herman Hendrik (Harry) ter Balkt is geboren op 17 september 1938 te Enschede (in het toenmalige buitengebied Usselo, thans de wijk Stadsveld) en op 9 maart 2015 te Nijmegen overleden.
Hij woont de eerste 24 jaar in Enschede. In zijn jeugd verblijft Harry vaak en graag op de familieboerderij bij Hof te Boekelo (thans landschapscamping ’t Scharrelhoes). Het is de boerderij van z’n grootouders van vaderszijde, maar die zijn beiden al overleden voor zijn geboorte. Wel wonen er nog twee tantes, Christina en Aleida, de laatste met haar dochter Willie, en een boerenknecht, Frederik van der Heide. Harry helpt geregeld op de boerderij. Hier doet hij de liefde op voor het boerenleven en de natuur dat vaak terugkomt in zijn latere literaire werk. Frederik leert hem veel, is een soort mentor en figureert in enkele gedichten.
Ter Balkt heeft veel meer op met het buitenleven dan met het stedelijke. Vandaar dat hijzelf altijd zegt in Usselo geboren te zijn, maar die buurtschap (of marke) binnen de gemeente Lonneker is al 4 jaar voor zijn geboorte opgegaan in de gemeente Enschede.
In 1962 gaat hij naar het dorpje Zandpol bij Emmen als onderwijzer, om die rol 5 jaar later in Nijmegen te vervolgen.
In 1969 verschijnt zijn eerste bundel “Boerengedichten” onder het pseudoniem “Habakuk II de Balker”. Dit pseudoniem gebruikt hij tot 1979. Daarna hanteert hij zijn schrijversnaam H.H. ter Balkt. In 1983, op 45-jarige leeftijd, wordt hij fulltime dichter.
Van zijn hand verschijnen meer dan 20 dichtbundels, 6 (zogenaamd “onspeelbare”) toneelstukken en 1 (lijvige) roman “Zwijg” (onder het pseudoniem “Foel Aos”).
“Foel Aos” betekent ‘rottend aas’, maar wordt in het Twents gezegd over een ondeugend-slimme of vals-gluiperige jongen of man; afhankelijk van de context kan het van liefkozend tot echt lelijk worden gebruikt. Dit past wel bij Ter Balkt’s dwarse en rebelse karakter en dit straalt ook Het strand van Amsterdam uit.
Zijn verzameld proza is verschenen in 2009 onder de titel “De gedenatureerde Delta” (480p).
Zijn verzamelde poëzie is verschenen in 2014 onder de titel “Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens” (1798p). Een eigenzinniger oeuvre is niet te vinden.
H.H. ter Balkt staat bekend om zijn dwarsheid. Hij is een “boerendichter”, een dichter van aardse, grimmig-humoristische gedichten. “Hij schildert met taal”.
In zijn poëzie viert hij de taal, die voor hem een verlengstuk is van zijn lichaam, dat op zijn beurt is voortgesproten uit de aarde – als metgezel van het gras, het varken en de kraai.
Gemakkelijk maakt hij het zijn lezers niet, maar zijn meest geharnaste tegenstrever is hijzelf. Hoewel hij tot in al zijn vezels poëzie is en zelfs alledaagse mededelingen uit zijn mond als citaten uit eigen werk klonken, doet hij er, vooral in het begin, alles aan het dichterschap te presenteren als iets volslagen achterhaald.
Ter Balkts stijl is weerbarstig en over zijn woordkeus is gezegd dat de woorden ‘stampen, knoerpen, toeteren, wringen en walsen’. Dit geldt in zekere zin eveneens voor de woordkeus in Het strand van Amsterdam.
Behalve dichten en schrijven, musiceert en schildert hij. Van 1956 tot 1958 maakt hij als pianist deel uit van de dixielandband The Hodge Podge Stompers, o.l.v. Gerard Damveld (drummer). Dit komt ook tot uiting in de vele regieaanwijzingen en voorkeuren op muzikaal gebied in Het strand van Amsterdam.