Een zoon

Mijn vader, de maan in ’t laatst
kwartier, liep in een lange jas. Hij werd
wat gotisch. Hij bouwde zijn huis in
de velden aan de rand van de stad.

Vader vergeef het me dat ik je opzeg.
Zoals ze jou opzegden, de niet aflatende
machines in de fabriek die het leer streek
daarginds in de Tweede Emmastraat.

De ijzeren liniaal stak schuin uit de la
scherp als een naaldhak dwars door je maag.
Wekenlang zweeg je maar je tierde inwendig
zoals een groot vat op een ziedende vlam.

De ondraaglijke, ondraaglijke machines
tierelierden de godganse dag, ze naaiden
de repen koeiebast aan elkaar. Jij was
de kleine korrel zout in de klauw

van de leerlooierijen uit Brabant.
Je houten broer Hendrik troonde boven je
in het lederen perceel van de Gebroeders
Rommelaar, fabrikanten van schoenen,

en later van kunststof knopen, namaak-
antiek en tin. Van de eiermijn naar
het kantoor was maar éen schrede. Zwaar
reed met je mee je wagon onder curatele,

je galg-en-rads kinderen; koud
was in je slaapkamer je blokje aluin.
Maar in de tuin die je koninkrijk was
toverden de hazelaar en de sterappeltjes-

boom, die je omhakte omdat dieven ervan
snoepten; overvloedig bloeiden er tulpen
en dahlia’s waarvan je de mispelkleurige
bollen en knollen plantte ieder voor-

en najaar. Deze regels als rijen
plantgaten en gaatjes in schoenen in
’t gelid, dragen een simpele dank-
dienst aan je op, waar je ook bent; of

tussen hemel en aarde, in de mispelbloem-
kleurige mist. Bijna alles aan goeds
is te weinig, te weinig. En ik
hield van je, want ik moest je toch eren.