Put en toren

                                                                       Voor H.

Mijn moeder was een toren,
mijn vader was een put

Er was geen dorst in de toren
noch was er water in de wel

Geen spiegeling
van de toren in het water
(De lachende toren
had geen spiegeling)

Torens en putten
zijn geen goede geliefden

Kinderen krijgen zij
half mineraal, half windvlaag
Half ijzeroer, half hazelworm
Eén deel steen, één deel water

Halve torens,
halve putten

Opgedroogd was de bron
toen de toren brandde

Het klimop verschroeide
en kwam niet terug

Kleiner dan hij geweest was
wierp de toren geen schaduw meer
nadat de put instortte en verging
toen de zon laag stond; december

Kinderen van put en toren
zijn put nog toren

Zij vergieten water
om de toren te blussen,
de put te vullen

Hoogten en diepten
wantrouwen zij voor altijd

Bliksems aan hun hemel
zoeken zij bewoonbare plaatsen
ver van putten en torens
ergens halverwege droogte en water