Usselo
1
De scherven verraden de woede
van wie hier dronk
Velen gingen
van hieruit naar zee
(Bekijk de zee, hoor de rollende golf, gedenk
Anthonis Tent, machinist
Henkie Vruwink, stoker
Willem Lamsjong
Arend-Jan Lamsjong,
dood op een sleper)
Hazen dragen in de schemering
blauwzwart glanzend − geen hol zoals zij −
hun lange oren naar het roerige zuiden gericht
de memorie herwaarts
2
In het grondplan van de streek/in de versierde
ruilverkaveling/in de Grote Kadasters/in de
bloeddoorlopen kavels
O wieg van mijn dorp
met je noordwaarts dravende schutting
geheimtaal spijkerend
Nog is er het oog dat de schuur ziet vanuit
de omgehakte boom/hoe het de drempels
zag schrompelen/hoe schuwde het
de rauwe rabarbervelden
Mijn linkerbeen steekt uit de akker
Kop van Jut
Mijn jukbeenderen omber met haver bezaaid
Oude stenen met pissebedden eronder
dat zijn mijn ballen
Stilstaan helpt mij geen zier
Ik ben niet hier.
3
De winter bakte een koek vol appels
Op de broek van de winter
stonden hooibergen en wolken
Ik zat voor de schouw met mijn oudoom Jan
een oud-augur die raadsels kende.
hij blauwbekte van kou met zijn voeten in de oven
in de oven van het oude kolenfornuis
Buiten de rode dorsmachine
merk December; buiten Lapland
Op de rode stenen, de tegels uit Delft
waartegen de koehoorns bliezen als Roelant
stond van alles geschreven. de klok had bolle
wangen van sneeuw, van veel eten. oompje Jan
was zo mager als de maan
die buiten vastvroor in de buik
van december, de walvis
De dorsmachine van de winter
draaide als een dofrood wiel
met linten van leer
De winter de kromme knecht
van oom Jan werkte hard, bakte
sterren mensen en modder
steenhard aan elkaar; een kar
alleen bleef staan boven op
de koek geglazuurd met kaf
De dorsmachine maalde sneeuw in de zakken
Stijf als een pop, wel vijfentachtig
zo oud als vijfentachtig kalenders
stak oom Jan zijn voeten in de oven
en vertelde hoe het vroeger vroor:
mompelend als een grafsteen:
Vriezen jongen dat het deed dat je
schaatsen kon op je tanden!
De machine fonkelt, een winterse ster!
Bij oom Jan uit de oven is onverklaarbaar
toen komen vliegen, duister draaiend
het bonte wiel van de vier winden
die van de bevroren vaalten van de wereld
aandroegen geur uit gebroken
kruiken, lucht van poëzie.