Katoen 3
Spinnewiel dat de wol spon vond zijn weg
Naar de blinde zolder waar de muis tript;
Achter t uilenoog; weefstoel, houten heuvel
Van marteling, rijst op, radbraakt de wever.
Bezegeld lot: uit vlas en katoen t bombazijn
De dracht van die eeuw, in schering en inslag
Op t weefgetouw gepind; schemer en blindheid
Gekocht, voor een handvol koper per etmaal.
Katoen, vervloekt jouw tirannie die boeren
Uit hun akkers floot, fabrieken schiep
Met knechtende machines; Ainsworth, tegen-
Pool van Blake: schietspoel je fetisj!
Spotziek bolt de rook uit pijpen zich vrolijk
Tot katoenpluizen, uitwaaierend over heide
En oceaan, tot waar zij bij Amerika’s prairies
De armzalige plukkers begroeten van de katoen.
Na Edison en de stoom in lange ballingschap
De fabrieken hoger gebouwd, bonter de rook.
Hard melkt de hand van katoenkoningen
Spoelsters en wevers: zij zijn slechts vee.
De steden dicht opeen. De heide krimpt ineen,
Duister werd de rook, verwenst door de heide.
Kookpot van weleer rust in de weegbree. Zwart
Besprong de schemering de uitgeputte wever.