Bier

Model, geleund in de vrieskluis van bloemen,
bevroren door de wrede fotograaf lacht zij, 
tongriem los, de tepel hard van kou, haar buik
Die ‘drink mij’ fluistert draagt schelms een glas bier.

Koolzuur spet vertederd en fris tegen je lip, 
bier drinkend waan je je monnik, eddaschrijver 
bij t houtvuur, of rosse Kelt bij de rollende ton 
of gewoon maar boer die klokkend de oogst viert.

Waar liefde getapt of geschud wordt, zoete vrede 
of oorlog heerst, men draagt het bier naderbij 
op zilveren schotels of vers van de pomp. Glij 
vrij door de strot, bier, als de psalm door de nar.

Zoals de kolenbrander, doofstom, wiegelt, in 
zijn Zwart Woud, hok jij, bier, als de gerst-
schoof in mijn ingewand en voedert met je streken, 
de passie prekend, mijn ganzen tot zij snateren!