De molen
De molen die hangt open als een mond
voor de uilen voor de bruine uilen en de wind
Op zijn scharnier bouwt de deur zijn gekreun
Uren: net als de wagens zijn de klokken heen
Heen is een ver land; gedierte zwaait op de drempel
zijn zoeklicht; veldmuizen op zoek naar oud graan
De wiek hangt zo stil als een legendarisch zwaard
van een vergeten aanvoerder voor een sagenarm huis
Dat de hand die in de roerloze molensteen
de spreuk grifte: Wind is de adem van de tijd
afgedrukt in een kast in Usselo om verlossing
roept, uil, dat is je bekend, uil? zegt de wind
‘Nostalgie, ploeger en spitter, spit mij om’
Spookachtig hoornig spant het ruitje zijn hanenpoot
en krabbelt aan het oeroud perspectief van de heide
Nostalgie, zingt de zwaluw, die houdt mij eronder . . .
De uil spant de haan van zijn oog tevergeefs:
alleen de schaduw van de molen en geen muis
(Een muis dragen is wel zijn mooiste pose) Dan
stokt het tweegesprek als de torenzwarte nacht
de struiken inklimt en de vleermuis hangend huivert
Wat zijn ze groot, de zwijgende uil en de zwijgende wind
hun blikken gekleed voor eindiging gericht op de nog
rokende stad.