De Usseler Es in de negentiende en twintigste eeuw
Onze helden stil opgestegenen
onder de tollende luchtherberg MIR.
Mijn kompas werd door magneten gejonast
als een klein meer door Leeghwaters parmant,
o kraaienvleugels verspreidden mijn faam
over de besneeuwde essenvoren.
In het waailand sidderde bij mijn stem
oud Ganzenbosch en de Loerhazenweg.
Op de siena kaart zijn nog niet verkleind
Usseler Esch en Veld, en daar niet ver
vandaan, mijn overgrootouders’ herberg.
De grote vuilverbrander stuurt zijn wolk
boven de snelweg langs het kerkhofhek.
O rustend stof, geest wordt nooit materie.
Tweede Prometheus bracht vuur uit de hel.
. . . Sla acht op duivels; niet op engelen.
Veldweg keert Phororhacos’ wederkeer.