De vuilnistrein
Hij was mooi en stoffig als een refrein
en kwam twee keer per dag langs de tuin
Ontroerend als een moede hond, te veel slaag,
dook zijn grijze tronie op bij de stokroos
Verspreidde kadaverlucht opstijgend uit botten
bloedig bolstaand als ontsnapte dalende zonnen
Een trein was dat donker als de nacht en wat hij
loosde had de sterke geur van geheimen: je sloop
je huis in met een boekvol martelingen, blokken
uit dozen gevallen verbleekt door langliggen.
Met mutsen op van bossen stof en van zessen
klaar/wakker als de dobbelsteen in de beker
tikte hij over het roestige smalspoor, geweien
tillend zwaar van verdriet; als klein duimpje
op weg naar de kwaadaardige venen, stond bol
van vuil en een dikke machinist fluitend, Hermes!
in t blauw. Hij was een kinderrover die trein
Vliegen hadden hem lief, dienden hem als discipel
Schommelend & bultig, gelijkmoedig als t schip
van de woestijn, uitbottend van geweien als Lapland
bereikte de vullistrein de heimweewekkende snelheid
van de eerste stoomtrein, postkoetsen op doortocht
Droeg droge struiken, uitgeputte emmers, flessen,
spuugde bij iedere onritmische las jaargangen
van tijdschriften, poppenarmen, klokken en borden
Sloeg voorbij t zwarte weggetje de Wilgenweg
in − waar zijn de wilgen − voorbij dat treurig asiel
van Donia stokoud als Charon die honden & katten
verdronk in de Styx van stroom, honden doodsloeg
in een elektrische kooi. Voorbij dat blaffend asiel
slingerden losjes of zij iemand uitwuifden honden-
koppen glazig en verstard grotesk over de reling
der wagons. Stof kuste hun gebrokenheid, stof
sloeg een mantel om hun naaktheid, was hun herberg
omarmde hun gemarteld oog; stof was hun herder
Na dat asiel met zijn arc van bloedrood baksteen
ging je niet verder mee: vreeswekkend was het, wat snachts
volop geblaft had, overslaand soms/dood te zien, stijf
nu vliegend uit de koude put met het grimmige deksel
als discussen naar de sombere roos van de wagons
O elektrische staf, o uittocht van de honden
op hun laatste reis, de stoffige vilten
velden in, brandende gruiswegen voorbij in de winter
door grauw ijs gekeeld; de venen tegemoet, val en afgrond
bitter riet en hard gras, autobanden in wilgen
Herinnering draagt zijn eigen winter en slaapt
tot er stof in grauwe vlokken uit een kast valt
en je 24 uur later een hond ziet; overreden, die
zijn doffe tong uitsteekt naar de witte as van de weg
Gek genoeg leeft hij dan, rolt de steen, wekt de stokroos/
lief als in de gouden dagen voor het toornend asiel
tot hij (niet meer op straat dan, al elders)
door schokken sterft en een trein laat rijden vol
schommelend stof/zijn staf brekend over de jaren
Vol zure rook/de schedelplaats, bloesem van stok-
slagen loert met glasoog van kraai kat en hond/ook
sluipend gedierte/de rails af: waar blijft de trein
Dit zijn de verschrikkelijke stapelplaatsen van tijd/
de stookplaats van levens, hoger wordend, rokend . . .
Geleund tegen de oude lucht verwoest de vaalt de zon
Drachtig van vadsigheid kronkelt de dikke stilte, hoei
Het was daar eenzaam, vol gevlekte zonderlingen
Vol met waaiend zout van vergane brandingen,
geheime stokerijen, lijken onder jeneverbesstruiken
Legenden daar in omloop als groen geld dragend
beeldenaren van stokoude ruiters, veefokkend rapaille
Aangaande verkrachting en schatten fakkels van sagen
flakkerden over het varkensgras, roemrijke
kattenstaart, de berk die zich draken herinnert . . .
Eindstation Alpengebergte met eeuwig stof stuivend
over de hoogten zeven toppen als een zevenender
steken op/suizend van de geest van zeus
Somber schuifelt de wind, loert de rat door de stofwolk
op deze ijzige terrassen des doods waar leven is
als in een ziekenhuis een woeste bloeding
als een groene tak in t boomloos Groenland