Frederik van der Heide 1904-1978

Wolken van Ed Laurens, Virginia Nr 6  
hingen boven de rietkragen  
en de wagen reed nader (van hout,  
essenhout als bijlstelen, en hopelijk  
een paard, Frederik − met jou 
in de schaduw daarvan gebaard), 1904  
in Weststellingwerf 

Je tien halfzusters zuchtten  
Nornen vluchtten weg over ’t veld  
naar Steenwijk en Genemuiden   
om riet te snijden, een uiltje  
blies een rookwolk uit, spechten 
kauwden pruimtabak en de regen sprak  
het daar toen uit, ‘Knecht’

Er bestonden blinde rondogige huizen  
en kleine alsof die door de grotere  
waren uitgebroed, en altijd wanneer je  
twee paar voetstappen hoorde,  
klonk het ene paar luid en dreigend  
terwijl ’t andere leek te fluisteren 
Het was geen land van citroenen

Venen welfden er hun bunzingrug,
duisternis kuchte als een dorsmachine 
tussen de hoeven die sidderden 
van grootheidswaanzin en hoon 
Er stonden scholen die je de zang 
van de tafels der duisternis leerden, 
− er waren klompenmakerijen

Je groeide krom in je eerste jaar 
of later, op de verwenste hoeve 
Er waren geen dokters daar, gestolen 
door de steden; rietdieven sneden 
riet; looddieven lood, je werd 
wel groot maar niet veel groter 
dan de wilgenpalen langs de weiden

Stellingwerf was nat als de jenever 
van je vader, ah je wou wegvaren,  
verder west, maar matrozen zijn recht 
Je wandelde uit ’t gehucht, onder  
slechte lucht als op slechte schilderijen 
(je halfzusters huilden voor de ruiten) 
− naar het rietloze zuiden 

De lijsterbestrossen verdoften, 
elektriciteit reisde al over de aarde  
De aartshertog zakte scheef in de auto 
Houten vliegtuigen klommen tegen  
de wolken op als brommende klokken,  
ook de steden begonnen te gonzen  
(als een wesp in een omgekeerd glas)

Onwillig, onwillig, onwillig 
jegens al wat afwijkt van ’t klokhuis 
is de wereld, en je meisje vroeg je 
‘Wanneer krijg je, krijg je je hoeve’ 
Twee bossen hoog vloog de steenuil 
met je mee, boven de bosrand 
in een wolkje Ed Laurens, Nr 6

Heel langzaam loste de wereld op 
in grote en minder grote huizen . . . , 
de allerkleinste huizen verdwenen 
Uit twee stabiliteiten had zij bestaan, 
één duister en solide als de dorsmachine 
één lichtgevend als ’t warrelend kaf, 
nu leek van die twee geen sprake meer

Je at aan ovale en ronde tafels,
’t meest aan de hoekige, Frederik 
De wolken kaf woeien in je hoofd 
af en aan als de honderden kussen 
die je kreeg en waarvan je droomde 
in de vrolijke nachten en avonden 
Toen liet je meisje jou alleen

Honderden dorsmachines ging je op 
en af, aan de hoekige tafels gleden 
hun merken als lichtreclames voorbij 
Lindebloesem en kersenblad warrelden 
om je hoofd − rijdend naar de Coöperatieve 
met zijn geklots, en ’t timmermanspotlood 
dat de geleverde melk neerschreef

Twee bossen hoog vloog de steenuil 
boven je zweep en wagen in ’t bos 
‘Ik heb vuur gezien’, zei, ’t steenuiltje 
‘dat uit ijzeren vliegtuigen viel 
op de laatste aartshertogen, soldaten 
hoestten rood schuim; munten en uiltjes 
smolten met de grendels van de stad’

De precisie woedde boven de huizen
De precisie joelde in ’t spookuur, 
het was de tijd van de precisie 
Grote rode maan boven ’t Roârland,
concies raakte de bijl de esdoorn . . .
Alle stille avonden slopen aan, zacht 
als op voetjes van mieren en muizen

Nerf voor nerf eet de lelietor de lelie  
(Verf geen ongewenst blauw, lamplicht,  
op het uithangbord van de hitte,  
dos de zwaluw niet uit als reiger) Lamp  
aan de muur straalde over ’t braakland  
zijn kort licht in de zomer, ver licht  
’s winters over de bevroren golven 

Op de oceaanbodem wijzen slakken  
van cokes de weg van de stoomschepen aan  
− Landingen op de maan boven Roârland  
Twee heren, glimmend als zeekapiteins  
of bijlen, voeren aan over de akkers,   
en schonken Frederik de zilveren penning  
van de Overijsselse Landbouw Maatschappij

Op de televisie zag je bossen en velden   
maar het hart ontbrak. Onder de lamp   
aan de muur keek je over de akkers 
−Je had een stem als uit een grindlaag 
diep onder de aarde − ’s Avonds kaatsten  
je asbak met peuken van Ed Laurens  
en de regenduif in ’t blauwe scherm

Toen Frederiks leven was uit-
geschreven riep hem de doodsbleke zaal 
Het ziekenhuis als een dorsmachine groot 
Aan zijn bed sliep morfine, en daar 
kwamen de zeven halfzusters, drie nornen 
en eisten hun rode koperen draad 
die de hals van de haas doorsneed

Ons horloge, Frederik, zeiden zij 
Herinner je, zeiden ze de stervende, 
hoe schuins de regenstralen vielen, daar-
ginds in Stellingwerf waar je aankwam 
Ze huilden geluidloos, ze vluchtten 
in de gordijnen; geef ons, zeiden ze, 
je zilveren legpenning van de OLM

Terwijl Frederik langzaam verkleinde 
zuchtten de schim van de Coöperatieve, 
korenbloemzaad en maïs in de akkers, 
en een troepje gele lissen bij Giethoorn; 
de roestige ziel van zijn Solex 
kromp ineen, verdwenen dorsmachines 
ruisten zuchtend boven de stad

Nu Frederik bleker werd dan as 
sidderde de olielamp in zijn opkamer 
Op de straat minderden auto’s vaart, 
de holle weg in ’t Mastbos versomberde 
De drie sinaasappels op de schaal 
verdonkerden, steenuiltje in de sering 
aan de muur voelde een steek in zijn hart     

1978-198