Ode aan de hoefsmid Sachs en de klompenmaker Bel
De kop van de oostenwind afgeslagen als de kap
van een ei; ruwe wind viel neer op het dak.
Windbrokken, vuilgele houtspaanders en -krullen
rolden rond in de werkplaatsen, daarna dreef
westenwind, zachtjes gloeiend, onder het halve
hoefijzer van de maan. Boven de asfaltbronnen
sproeiden sterren hun lichten als vonken, de klop
van paarden leek op een kort aanslaande motor;
westenwind hief zijn zoete hamer als de smid
Sachs bij zijn aambeeld; oostenwind rustte wit
rokend uit bij ’t vuur en nog even lichtte
winter op, als eens met kerstmis de hoge hijskraan
witschitterend als lindenhout, als de kromstaf
uit de houtschaaf in de hand van Bel; monotoon
ratelde in de heiige ochtenden de lopende band
in de Coöperatieve bij zijn rijen paarden en wagens:
ketels, ijzeren trappen die de maandagen karnden
en de melk, nabij de Oudegyptische maalderij.
Hout en ijzer krulden om, in de room verwittigden
goudklompjes de komst van de boter, en sierlijk
als de bijendans en linde vruchten wikkelde nikkel
om de boter verpakkingen van sneeuwwit papier:
de paarden stampvoetten bij de treden, oostenwind
begon hard te blazen in de huizen van Sachs en Bel.