Ode aan een rode munitiekist in het beekje dat langs het Mastbos loopt
Het was één van de harten van de oorlog,
dicht bij het laag brandende vliegtuighart;
de lucht van munitie zweefde rond, kleefde
aan de rode patroonhulzen; wijd verspreid
in bos en veld droegen ze de kruidige geur
van vernietiging verder en verder op de wind;
het was één van de harten tegen de oorlog,
de potdichte en stralend rode munitiekist
in het beekje bij het Mastbos; rook beeldde
traag krijtwitte intocht van opgang uit
in de veertiger en vijftiger jaren, toen
schuttingen kut en lul riepen in de steden
zoals de rode munitiekist revolutie aanprees
aan het bos en het beekje; overal jacht
en jachthoornstraten, op de allerrustigste
plattegronden, kruitlucht stijgt suikerzoet op uit
de begroeting, patroonhulzen vermommen zich
sindsdien als schouderklopjes, kussen, brieven
en gebaren, maar de van heel ver gekomen
rust verkondigde neerdaling en verlossing