Poëzie
Poëzie werd de drempel van t gesticht,
de wolf in het schaap, liet het fata
morgana zien, dompelde dan dodelijker,
dieper, je rede in de helse woestijn.
Poëzie was toen een cent in Siberië,
kraan zonder water en een hond op zee.
Achter de feiten de kar met begrippen.
Achter de fielt kermt t stukgetrapt land.
Jaren nadat van plundering de stad kraakt
telt haar naam hoewel ze dan soms alleen
nog bestaat als naam. Denk aan Carthago,
denk aan jezelf en t sluimerend zout.
Poëzie is geen leeuw, werd een tijger,
Wallace Stevens; doodt geen man nee . . .
enkel fokt zij nu wrede virussen
van ondermijning; twijfel. Zwak siersel;
verfde het zout op de bovenste plank
in het almaar tochtiger wordend huis.
En poëzie werd een stuiver in Siberië,
vlo in de koningshals, goudmunt in t ijs.
Poëzie volgt stil de mens op de voet.
Zo werd zij gepekeld; vermalen hart
en tuinfakkel van afval; gevoelens
ingeblikt in de steeds duurzamer vorm.
Stiller dan Kerstmis, bleek als Pasen trok
poëzie van slag- naar slagveld en bloedig
kruispunt, geweven leeuw in gerafelde
vlaggen, Wallace; onmenselijk werd Zij.
En verandert de dief, goed- of kwaadschiks,
ooit van inborst en gedrag? Poëzie wel.