Requiem voor achterneef O.O.

In volgorde van opkomst 
maakten zich van hem meester 
leven, zoete liefde, machtige dood.

Het leven achter een koestal, 
de liefde naast een akker. 
Wat een kort liedje is dit.

Ach de liefde was te dik 
en vanwege haar luie schoot 
fokte hij kippen in massa’s.

Kippen leggen eieren 
die tenminste de vrucht zijn 
van de duistere sprong van de haan.

Hij bleef schrijver tweede klas 
maar kocht een blauwe Opel 
vanwege de vlijt van zijn pluimvee.

Op het kale stadhuis zat de dood 
in de pot, nog geen vuurtje voor 5 
minuten, de kooktijd van een zacht ei.

Pesterig het haantje genoemd 
kwam hij altijd achteraan, en 
toen ook nog op een bloedhete dag

midden in de zomer, die aan akkers 
deed denken, hooibergen van weleer, 
pip en snot zijn gevogelte aantastten

reed hij op zijn zwarte Fongers 
de garage uit zonder groet, 
fietste naar de trein van 12 uur 13.

Kocht geen kaartje, zette zich 
op de rails alsof hij ze bebroedde, 
op de rails bij de onbewaakte.

Toen de trein kwam stapte hij uit 
en maar weinig van hem gevonden 
maar voor een begrafenis genoeg.

Zijn weduwe rijdt in de Opel, zijn kippen 
strandden bij de poelier. Liedje 
van niets, wees zijn kruis en urn.