Slechte knechten
Ik schrijf een anti-ode
aan mijn gebrekkige knechten
mijn hart, mijn gal
mijn sluwe hersenen
altijd gebrand op langslapen
in hun dubbele hooiberg
Aan de steilewandrijder
tegen de maagwand die echo’s
oproept in zijn zoutzuurput!
Een lied voor de schaapskooi
waar mijn schepers hokken.
Mijn twee zwarte schapen.
Louter slechte knechten,
luiaards verspreid op mijn erf,
onder een hemel van zout vel.
De onnozele cameralieden
die mijn oogbol richten:
zij richten naar binnen.
Ik schrijf een defecte elegie
voor mijn knechten, krom volk,
maar zij horen mij niet.
Hoofdpijn zit op de trappen
in mijn grijze museum;
mijn personeel ruïneert mij.
Winter is ’t in mijn Soniënbos,
houthakkers gestuurd door Sneeuw-
witje spitten de haarwortels uit.
Lummelaars en slampampers
zijn mijn dienaren de organen,
in de vakpers hooggeroemd!
Mijn hart is een appelplukker,
klimt op de treden van de ladder,
daalt de laddertreden áf.
Verkleind staat een hooischudder
in een stofhoek van het hoofd
en werpt geurige zangen neer.
Gelauwerde hardlopers
waren mijn knieën en hielen
als Achilles en Hermes voor Troje.
Oogappels! Wrede molenaar
zat in jullie waterhuis, vermaalde
jouw landschappen met zijn rad
Grof tuig, uitvaagsel hokte
in de hersencellen, zwavelde
koelbloedig de cellen uit . . .
Mijn knechts roken en zuipen,
zij maakten een tapperij van mij,
een huis vol slecht volk!
Zij spijkeren plakkaten aan,
roerige taal in mijn straten:
zij roepen de opstand uit!
Ik geef jullie loonsverhoging,
de helft van het rijk maar
dicht het lek, verf de gevels.
Liever dan hard te werken
lagen de schuitvoerders en koks
op vetkussens in discotheken.
Guerrilla! Guerrilla
voert ’t hart tegen de lever
en de hersens tegen de tong.
Elektrische Centrale,
slaapwandelaars aan de panelen,
zond bliksemflitsen uit
naar geloverde hoogspanningspalen
wortelend naast mijn kanalen
en mijn inwendige Rijn en Waal.
Aken voeren ginds rond
geladen met duistere lading:
oud nieuws; proviand voor de muiters.
Aken voeren in ‘t rond
tot dicht onder de luiken geladen,
hun accordeon speelde voor radar.
Op alle beslikte oevers
mesjokkeme roeiers en vissers,
bruggenbouwers met waterhoofd.
Werkvolk onder mijn roze hemel
hart, gal, hersens: verlakkers,
dat duurt zo niet lang meer . . .
Ik verstop jullie flessen
voerlui op mijn winderig erf
want jullie mennen niet!
Ik zing een anti-ode aan ’t grauw
dat mij jonast en uitzuigt,
mijn onhebbelijke molenaars.
Rebellie hurkt om mijn vijvers,
stofwolk woei op mijn erf
onder voetgestamp luid en dreigend.
Op geheime plaats en kwaad uur
zou het stadje h.h. ter balkt
door complotten van het volk
met slaap bestrooid als Carthago
voorgoed onvindbaar vallen;
zijn centrale; al zijn wallen.
Als je slecht werkvolk,
luie knechten in huis haalt
dan kan je dat overkomen.
Raas dan op de staantribunes.
Trappel en lach in de stadions
om mijn knechts; mijn slechte knechten.