T Oosten

Land van pais was t 
waar de maïs geel wikte 
zijn kolf (alchemist) 
op zijn wortelklauw,  
proevend van t stuifzand.

Melk de kwikzilver danser 
in de uier met de foxtrot uit 
de schemerige dancing zacht 
schommelend als middernacht 
klopte aan de getraliede wei.

Zangen uit Roârland brullend 
als branding, storm in zijn 
schors, decor van torens. 
Op de karren met gier & meel
roeiden grote monologen.

O land van pais en muizen 
& telefoonpalen druipend 
van honing, stil gedierte 
op mars, bimbammende klokken; 
balken de oogst dragend.

Spreid eenmaal die lucht uit, 
oud & blauw, doorboord door
geel haviksoog en vertel 
dat er nog één landweg stuift, 
op de dag dat bloed stilstaat.