Zonderlinge verschijning van de schim van Vladimir Majakovski aan de gierkar-rijder Foel Aos op een kruispunt in Usselo, Overijssel

De barometer op onbestendig
In de struiken hermelijn, vos en ever

Vladimir, na 43 zomers terug, 
opsnijdend, de armen gespreid 
daalde neer bij een berkenboompje 
in Usselo, aardbevingen wekkend 
in de ziel der runderen . . .

‘Jeremiëerder, blaas toch je pen uit. 
Parkeer je kar met trieste terzinen, 
kom mee in die tent bij de wegwijzer 
een glas drinken tegen de vliegen

In café Hannink op de driesprong (de waard 
rende als vier hazen) commandeerde hij 
twee cognacs van De Krim, ’t werd Vieux
‘Kraaiensnavel! Jij kakelt, maar ik . . .
Ik was wijd als de wereld! Berlijn 
omhelsde mij; Parijs en New Vork; zeeën 
stak ik over als greppels, straatstenen 
en lantarens snikten mijn liederen na.’

Hij drinkt zijn glas uit en kijkt erin, 
zijn half hoofd werpt kapotte schaduw 
op de tafel, op de deur als hij dichtgaat 
Boeren in het blauw staren of zij akkers 
ontwaren in dat landelijk café

‘Foel Aos, nageboorte van een kalf, leg  
mij uit, verklaar die raadselachtige taal  
daarginds op dat plakkaat: Coca-Cola
de nieuwste alcohol, synthetisch gestookt?’

‘Een giftige drank uit theeblad ontsnapt 
d.w.z. afval van theebladeren, United Shit; Maja:
met de kleur van geraspte indianen en nikkers
versta je? Drink dit tot hun nagedachtenis’

De weg tilt zijn hanenpoot op en wandelt
Akkers veren op hun zwarte matrassen 
Over de trampolines van de weilanden 
spring en kakelt vrolijk vogelvolk: Tri!

Hij-met-het-kogelgat en zijn schim 
op de muur als in dat oud Endor. ‘De zon, 
aasschrijver, rukte ik uit het hemelblauw’. 
‘En later zo rood, Majakovski!’  
‘Revolutie devalueerde en doodde mij, pang.’ 
Majakovski’s hoofd is een hakblok, een deur. 

Hij zwijgt. De boeren zwijgen. De fles,
staande op tafel tussen ons in,
de fles de vloer en de schemering zwijgen.

Hemels zoals wij zwegen, straatweg. 

‘Decadent werd alles, oost en west; vaal . . . 
Hoe bladderde de wereld als een schutting af 
dubbelzinnig giechelend, laf als de honden, 
en Jezus Christus, sprak ik niet de bergrede na, 
waren mijn woorden geen dreunende aardbevingen . . .’

Ik, hazenvlees gegeten, herfstvoer, herfsttij-
op de tafel, schim, druppelt mijn traan die
het café weerspiegelt, de gekrompen schaduw
van Vladimir als van koning Saul. ‘Ik stierf
twintigmaal, in Parijs en New York
en alleen de treinen weten waarom.’

‘En wisten en weten de treinen?’

Zwijgen is haast alles, alleen de hemel weet waarom.
Sentimenten kleven als kleingeld in de zakken. 
Misschien moet men streng zijn als gebergten,  
koud, met een top van sneeuw, stenen wortels,  
filosofieën drinkend uit de zwarte aarde! 

Uit zijn kogelgat gutst stilstaand bloed.  
De zon die hij op aarde haalde daalt,  
de boeren zwijgen als heuvels op de einder. 
Dit is het terras waar wij zitten: grijze tegels, 
‘Weinig is over’, zegt hij; schildpadden  
krabbelen de horizon tegemoet zonder berg. 
Usselo, kruispunt, de naald van de eiken 
tilt uit de zwarte groeven stilte en geruis.

‘Vaarwel aasschrijver. Kogels geven geen rust, 
net zomin als het leven op aarde. Wij zijn reizende 
elektronen en laten wij goede reizigers zijn.’
Ik wuif. Zijn tweede hemelvaart, opgetekend 
door mij, zijn discipel, vangt aan. Kleiner 
wordt hij dan een vlieger.

Majakovski, zwijgend, 
de ziel der runderen verschrikkend 
wierp lila schaduw op de wikke in Usselo, 
Usselo: ‘altaar van de ossen in t woud’
Ontsprong aan de driesprong, zodoende 
de driesprong tot viersprong verheffend. 
De waard oog in oog met fantoom  
van fabel en sprookje, zijn boerenhart  
vertrouwd met ’t platte, krakt in twee . . .

Terwijl een druppel 
fonkelende cognac in mijn maag 
zich hecht aan een verteerde 
hazenpoot stort ik deze regels 
van toegewijdheid, betreffende 
Majakovski’s verschijning en 
tweede verdwijning en opstijging, uit.

1968-1973